HARM WAGENMAKERS

Kort verhaal uit de bundel

BRUG DER ZUCHTEN

                           

Het gebeurde plotseling.

Zo plotseling, dat je het gevoel had dat je even niet had opgelet.

Hij stond zich in de badkamer boven de wastafel te scheren en zoals altijd zat er ook scheerschuim op zijn neus, zijn wenkbrauwen, en bovenop zijn oren.

En zij stond naast hem en poetste haar tanden boven dezelfde wasbak, en zoals altijd poetste ze zo uitgebreid, dat de pasta in witte straaltjes langs haar mondhoeken over haar kin droop.

Ze kwamen net uit bed en hun haren stonden recht overeind.

We lijken wel twee clowns, dacht hij. Ik die met die smile, en zij, die met dat droevige gezicht. Ze keken beiden in de spiegel naar elkaar, en zij lachte naar hem. Ze lachten veel om zichzelf en elkaar. Hij moest ook lachen, maar nu lukte het even niet. Terwijl hij naar haar keek voelde hij dat er iets anders gebeurde.

Het gebeurde niet buiten, maar in hem. En toen hij in verwarring zijn gezicht zag, voelde hij zich om gaan vallen. Zomaar, zonder reden.

Hij zakte tegen haar aan. Zijn scheermes viel in het grijze water in de wasbak.

Zij kon hem maar met moeite enigszins tegenhouden. Hij zakte langzaam op de grond. Ze voelde hem langs zich glijden met zijn volle gewicht, totdat hij op het rode kleedje voor haar lag op de badkamervloer. Ze staarde naar hem met de tandenborstel nog in haar mond. De witte vloeistof droop over haar pyamajasje.

Ze spuugde de borstel uit in de wasbak, riep Oh, mijn god!, en rende naar beneden om een ambulance te bellen. En toen ze wachtte op verbinding, wist ze dat het leven van vóór vijf minuten terug, voorgoed voorbij was. Ik moet ook meteen de kinderen bellen, ging het door haar heen. En de hond; de hond moet ook nog uit!

In het ziekenhuis, op de Intensive Care, zag hij ze zitten. Aan het voeteneinde van zijn bed. De vrienden, de familie. Iedere keer als hij even wakker werd en door het spleetje van zijn rechteroog keek, waren het weer anderen. Hij zag ze stil naar hem zitten staren. Ze hadden sombere gezichten. Hij dacht: ze zullen wel denken, hoe kom ik hier zo snel mogelijk weer weg bij dit wrak. Net als ik dat zou denken in hun plaats. Maar zij konden opstaan en vertrekken wanneer ze dat wilden en ik zit opgesloten in mezelf… Telkens als hij weer bij bewustzijn kwam, voelde hij zich vreselijk gênant. Hij voelde zich bekeken. Hij dacht, wat zitten jullie daar nou stom naar mij te staren. Kan ik er wat aan doen? Ga aapjes kijken in de dierentuin of zo. Rot op!  

Maar zij zat altijd naast hem als hij wakker werd. Altijd! Hij voelde haar aanwezigheid vanaf dat hij daar lag, ook toen hij nog niet bij bewustzijn was gekomen. Hij voelde haar liefde! En haar angst. Dwars door alles heen. Haar machteloze eenzaamheid. Hij dacht hier ga ik aan kapot. Maar net op tijd verdwenen ze dan samen in een prachtig landschap aan de kust, of maakten ze een trektocht door de bergen.

Soms voelde hij haar hand op zijn hand, en probeerde hij haar te laten weten dat hij van haar hield, en dat het allemaal wel goed kwam. Dat hij trots op haar was, en dat hij haar zo dankbaar was voor alles wat ze ooit voor hem gedaan had in zijn leven. Maar hij had de kracht nog niet een vinger op te tillen.

Sterker nog. Hij voelde niets meer van zijn eigen lichaam! Hij wist dat al die apparaten en die slangen uit zijn arm, zijn piemel en zijn neus, dat die tezamen met de rotzooi die hij ingespoten kreeg, alle denken overbodig maakten. Waar zou hij zich druk over maken? Over het weer? Of over de politiek, ja, laten we daar ons hoofd eens over breken! Soms was het of niets er meer toe deed.

Hij wist dat er iets vreselijk mis was in zijn lichaam. Er was iets in hem dat niet meedeed met de rest. Hij probeerde zijn rechtervoet te bewegen, maar dat kon hij vergeten. Een deel van zijn bewustzijn vertelde hem dat een ander deel van zijn bewustzijn even niet aanwezig was. Noem het maar ‘sabattical’, had de arts gezegd. Lazer op, dacht hij. Dit pik ik niet! Werken zul je!…

Maar zijn hele rechterkant was niet meer te bereiken. Hij kon er letterlijk met zijn verstand niet bij. Hij voelde regelmatig dat er paniek in hem ontstond, maar wanneer dat gebeurde kreeg hij meteen een innige kus van een bloedmooie engel. Zo heerlijk zacht. Hij ging er helemaal van zweven. Ze was zo rond en blond geweest als het maar kon… Alleen kon hij er nog even niks mee beginnen…

 Ze hadden hem verteld wat er aan de hand was, en dat hij na nog een tijdje rust hier, in het ziekenhuis , naar een revalidatieoord zou gaan om langzaam weer iets te kunnen gaan bewegen. Maar hij moest er niet teveel van verwachten, zeiden ze. Hij zou waarschijnlijk blijvend invalide zijn. Zij begon meteen te huilen. Ze greep zijn arm, keek de artsen angstig aan, en zei in shock; oh, god, wat erg! Toen stond ze op en boog zich over hem heen, haar tranen vielen op zijn gezicht.

Ze kuste hem en zei: het komt wel goed. Rustig blijven hoor! Samen komen we er wel doorheen. En hij wilde zeggen dat… Hij wilde zeggen,…

Ja wat wilde hij nu eigenlijk allemaal zeggen… Hij zou willen schreeuwen! Maar er kwamen ternauwernood  woorden uit zijn strot. Hooguit een grauw, zoals bij een gewond dier,… zoiets… Of eigenlijk precies zo!

Kut, dacht ie. KUT! Verdomme! En het voelde alsof hij het in hun gezicht riep! Midden in het ponum van die witte heren. Hij probeerde het. Hij dacht, als ze het horen dan is dat tenminste iets… En als ze het niet horen, dan geniet ik er van dat ik hardop kan zeggen wat ik denk en voel. Dat is dan in elk geval de vrijheid die ik heb. Hij riep Hé, stelletje klotenklappers!!!, Maar ze deinsden er niet van achteruit. Hij zou kunnen schelden en vloeken als een Berenburger, begreep hij; de witte jassen bleven rustig en gewichtig staan oreren naast zijn bed, terwijl ze hem gewoon negeerden.

Hoezo… negéren! Dus hij schold ze nog even goed verrot. Hij kreeg ze nog wel. Hij zou ze laten zien dat ie er weer helemaal bovenop kwam. Schei eens uit! Blijvend invalide! Stelletje amateurs. Volgend jaar kom ik jullie persoonlijk uitdagen voor een 1000 meter horden. Dan zullen we eens kijken wie er gelijk krijgt. Jullie vallen één voor één op je bek, dan kan ik je nu al wel vast zeggen. Ik laat jullie mijlenver achter me!

Gefeliciteerd!, riep de logopediste. U kunt de ‘A’ al zuiver zeggen.

AAAAAA, riep hij… AAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAA!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!

Ja, ja, ik hoor u wel, lachte de logopediste. U hebt er zin in, merk ik. Goed hoor!

Maar nu de ‘B’… die lukt nog niet goed, zei ze. Ik hoor nog steeds een ‘P’.

Dat gaat niet hè?, die ‘B’! zei ze poeslief, terwijl ze zich vertederd naar hem over boog en bemoedigend een arm om zijn schouder legde.

Hij rook haar zweet en haar ‘Oral-B’…

Borsten, zei hij, met kracht en passie in zijn stem. Borsten…Buiken… Billen…

Ze bleef hem vertedert aankijken… Luister dan, dacht hij, wanhopig.

Luister dan… Zet je oren open,… trut!

Maar u doet uw best hoor, zei ze. Prima!  

Nu gaan we de ‘L’ samen doen.  De ‘EL-L-L-LE…’

Kijk maar goed naar mijn mond, … naar hoe mijn tong zich beweegt.

                                               __________